maandag 14 mei 2012

Logboek deel 67

Het hele dorp is uitgelopen om de grammofoon te bekijken.


Een tijdsbeeld over het ‘eigen leven’ van mijn cabaret voorstelling ‘olwiefkenijs.’ Het programma gaat over hoe mijn familie generatie op generatie leefde en werkte o.a. in de verdronken dorpen van de Dollard. Het is dus cabaret-geschiedenis. ‘Òlwiefkenijs’ betekent familieberichten.

De verandering op het dorp.

Ik heb vorige week weer eens aandacht besteed aan het moderne netwerken. Je kunt ook gewoon zeggen... werk binnenhalen via de computer. Vroeger had ik dit niet nodig omdat de telefoon elke week rinkelde en ik daardoor als troubadour wekelijks op pad was. Deze markt is nu overgenomen door de di-jé. Deze ‘plaatjesdraaier’ draait er moeiteloos op los en de stemming is er niet minder om. De jongeren weten niet eens dat het fenomeen bruiloft muzikant heeft bestaan. De troubadour of orkestje die van dorp naar dorp trok bestaat niet meer…en als er nu ergens een nostalgisch groepje optreed zijn er twaalf bejaarden aanwezig in het dorpshuis. De dorpskapel is grotendeels verdwenen en het breiende dorpskoor is nu een shanty/amusements- koor geworden.

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw willen de dorpelingen geen moeite meer voor iets doen. Werken? Daar hebben ze de machines en buitenlanders voor en je kunt er ook nog lekker op schelden…maar voor de dorpscultuur hebben we niemand…oh ja…de di-jé…die neemt nog de moeite om een knopje in te drukken.

Het publiek

Ik heb eens een muzikaal experiment bedacht in huize Santanera, toen we daar in de zeventiger jaren van de vorige eeuw werkten als huisorkest. De ene helft van het orkest speelde een halve toon hoger dan de andere. Je krijgt het effect van een slecht functionerende autotoeter. Niemand keek op…het publiek merkte het niet eens. Het volgende experiment was dat we midden in een nummer plots stopten…Het publiek keek verschrikt op…van… wat is dit?…is er iets gebeurd?

Hiermee is toch wel aangetoond dat het publiek naar de grootst mogelijke onzin kan luisteren als het ritme maar flink doorbeukt…en… we waren vroeger juist zo mooi bezig met het vervolmaken van het stijldansen en het stropdasje. De dorpelingen zaten aan gedekte tafeltjes te flirten en we hadden een balboekje waarin de afspraken stonden voor het volgend dansje. We leerden op de dansschool hoe we met de ‘wichter’ moesten omgaan. Onder het dansen werden we gemaand iets dichter tegen de dame aan te gaan staan. t’ Ja… het kostte wel wat moeite…en de volgende dag droomde je nog over dat ene meisje, die je nog nèt niet kreeg en waar je zoveel moeite voor had gedaan. Seks was gevaarlijk…de pil bestond nog niet…en de meisjes kregen een wijzende vinger mee van moeder…man… wat kostte dat een moeite.

Ik heb hier een hoofdstuk van gemaakt in mijn voorstelling…het was toch te mooi om waar te zijn. Ik wil niet zeggen dat het nu slechter is…het is anders…je hebt nu het coma-zuipen en sla der op los spelletjes om natuurlijk op een andere manier indruk te maken op de wichter…t’is even anders…en het kost geen moeite, giet maar in en de buitenlandse diejé draait er vrolijk op los, maar het kost ontzettend veel moeite om de volgende dag bij te komen…dat wel.

Dit was ‘olwiefkenijs’oet Wolndörp
Tammo

Geen opmerkingen:

Een reactie posten